Eenheid , v. ( eenheden ) , unit , die Einheit , l' unité (v)

Bepaalde maat of hoeveelheid van een grootheid die men heeft aangenomen als grondslag om daarmee andere grootheden te tellen of te meten, en waaraan bij afspraak een getalwaarde gelijk aan 1 is toegekend (NEN2649). Daarbij behoeven de maat en het gemetene niet van dezelfde soort zijn. Zo kan de lengte van een kwikdraad gedefinieerd worden als een maat voor de temperatuur, en ook als de maat voor een druk. In de lengtemeettechniek zijn de maat en het gemetene doorgaans wel gelijksoortig.

De eenheid van lengte is de meter, een van de zeven grondeenheden waarop het Internationale Stelsel van Eenheden SI, de in alle talen geadopteerde aanduiding voor het Systeme International d'Unites is gebaseerd. De andere grondeenheden zijn het kilogram, de seconde, de ampere, de kelvin, de mol en de candela.

Behalve de grondeenheden zijn er twee aanvullende SI-eenheden en vele afgeleide SI-eenheden. De aanvullende eenheden zijn de radiaal (eenheid van vlakke hoek) en de steradiaal (eenheid van ruimtehoek).

De afgeleide eenheden van het SI worden uit de definities van de afgeleide grootheden verkregen, als producten en quotiënten van machten van grondeenheden (NEN 999). Voorbeelden zijn m= als de eenheid van oppervlakte en m/s als die van snelheid.

Eenheden worden gewoonlijk verkort genoteerd in de vorm van algemeen aanvaarde symbolen, die essentieel deel uitmaken van het SI.

Symbolen van eenheden (voor die van grootheden gelden andere regels) worden geschreven met kleine letters (ook aan het begin van een zin of als de overige tekst in hoofdletters staat), behalve als de naam van de eenheid tevens de naam is van een persoon, of daarvan is afgeleid. Achter een symbool komt Been punt (een symbool is geen afkorting). In drukwerk worden symbolen steeds rechtop gezet, ook in een overigens cursieve tekst. Tussen de getalwaarde en de eenheid of het symbool daarvoor, komt een dunne („halve") spatie, evenals tussen symbolen onderling (NEN 3069).

 

 

 

Vorige pagina